RECENSIES Een kerk vol lonkend keramiek, hout en staal
Door Edo Dijksterhuis

Tentoonstelling: De Grote Verbeelding. T/m 19 augustus in Grote Kerk, Den Haag. Open: dagelijks 11-17u. 5 juli gesloten.

Fortitudo staat erbij met lege handen. Wat beteuterd kijkend ondersteunt de krachtige van de vier deugden het grafmonument in de Haagse Grote Kerk. Haar rechterhand half open, drie vingers gespreid. Alsof haar vaste attribuut - de gebroken zuil - haar ontglipt is. Kathrin Schlegel probeerde te reconstrueren hoe het gebeurd moest zijn en liet haar Chanel lippenstift vallen van handhoogte. De versplinterde dop en de stift liggen nu in marmer uitgevoerd aan Fortitudo's voeten. Op een bordje achter het smeedwerk de relativerende titel: 'On a bad day, there is always a lipstick'.

Met haar 26 jaar is Schlegel een van de jongste deelnemers aan De Grote Verbeelding. En haar hedendaagse commentaar op het classicistische praalgraf ontkracht meteen de veel gehoorde stelling dat de beeldhouwkunst dood en begraven zou zijn. Het traditionele, driedimensionale beeld zou ingehaald zijn door het geprojecteerde beeld van de video. Of door het onstoffelijke beeld in het hoofd van de toeschouwer, in het geval van de conceptuelen.

Nu is video niet volledig afwezig in Den Haag. Maar als bezoeker is de keus tussen weer zo'n scherm en een kerk vol lonkend keramiek, hout en metaal snel gemaakt. Die tactiele, driedimensionale werken laten zien dat de problematiek van de klassieke beeldhouwkunst, zoals evenwicht, compositie en zwaartekracht, ook anno 2003 nog actueel is. Edwin Wieringa laat de bijbelse zelfmoordenaar Saul, opgebouwd uit aan elkaar gelaste stukken plaatstaal, een permanente val maken. Enkel zijn naar voren gewaaide jaspanden houden hem bevroren in een hoek van 45 graden. Jacinto Zwiers gaat nog een stapje verder door zijn slipauto met slechts een wiel aan zijn plankje te laten hangen als een boven de afgrond bungelende alpinist.

Wieringa en Zwiers behoren tot de generatie beeldend kunstenaars die de afgelopen zeven, acht jaar is afgestudeerd en nog niet is doorgedrongen tot het reguliere galeriecircuit. Voor De Grote Verbeelding zijn ze aangedragen door hun (ex)docenten. Deze vijftigers als Ruud Dijkers, Thom Puckey en Louise Schouwenberg vertolken binnen de tentoonstelling de stem van de gevestigde, toonaangevende generatie. De toevoeging van de tussengeneratie van Frank Mandersloot en Fortuyn/O'Brien verraadt de ambitie een dwarsdoorsnede van beeldhouwend Nederland te geven.

In de Grote Kerk staan de beelden echter niet keurig gegroepeerd in generaties of stromingen. Groentjes en veteranen staan dwars door elkaar. Dat het de tentoonstelling ook nog ontbreekt aan een thema, maakt het geheel in eerste oogopslag ongrijpbaar. Toch zijn er vrij makkelijk dwarsverbanden te leggen en trends te signaleren. Modernistische abstractie is definitief passe. Keramiek heeft zich de laatste jaren ontpopt als populair materiaal, ongetwijfeld onder invloed van het Europees Keramisch Werk Centrum.

Er is veel werk met architectonische inslag, zoals de 17e eeuwse maquettes van Han Janselijn en de zwarte blokhuisjes van Thijs van Kimmenade. En er zitten nogal wat verhalenvertellers onder de jongeren. Zoals Antoine Stemerding die met zijn langzaam ontrafelende, Amerikaanse witte vlag commentaar levert op de weinig vredelievende sfeer in het land van George W. Bush. En Jenny Schinkler, wiens mysterieuze bontbeest zittend voor een verlicht gordijn aandoet als een lugubere variant op het hondje van His Master's Voice.

Maar het is de uitgekiende presentatie die deze themaloze tentoonstelling van losse namen behoedt voor chaos. Zonder individuele belichting en met een enkel sokkeltje staan de werken in de leegte van de Grote Kerk. Hoewel het aantal, 66 stuks, aanzienlijk is, raak je als kijker niet overweldigd. Er is flink wat ruimte om rond te lopen en telkens weer iets te ontdekken. Grote sculpturen geven zichzelf pas bloot als je er naast staat. Kleintjes, zoals het pretentieloze bronzen afvoerputje van Barthold Boksem, zie je soms pas als je er over struikelt. En sommige kunstenaars hebben hun werk zo perfect aan de locatie aangepast dat het bijna is geassimileerd. De gouden druppels van Fortuyn/O'Brien - oorspronkelijk gemaakt als harsimitaties voor bomen - lijken hun definitieve bestemming te hebben gevonden op de zuilen rondom het hoofdaltaar. Ze zijn opgegaan in de ruimte, maken er deel van uit en voegen er aan toe. Net als Fortitudo's kapotgevallen lippenstift.

NRC Handelsblad, 3 juli 2003